Nieuws

Bij talentontwikkeling komt veel kijken

Het grote doel van CyclingCLassNL (CCNL) is om talenten gedurende hun ontwikkelingsjaren bij de junioren zo goed mogelijk te begeleiden in het proces om het beste uit zichzelf te halen. Het programma draait nu een eerste jaar en projectleider Martin Truijens van CCNL is tevreden over zowel de vorderingen van de eerste lichting, als over het grote aantal aanmeldingen van de volgende groep potentiële wielertoppers. Hij legt in dit verhaal uit wat er allemaal komt kijken bij de ontwikkeling van talent, waar de accenten liggen en of er bijsturing nodig is.

CyclingClassNL ontstond op initiatief van wielerbond KNWU, wielerploeg Team Jumbo-Visma en sportkoepel NOC*NSF. Na het ontstaan van het idee werd er voortvarend begonnen en vanaf mei 2021 zijn de eerste stappen gezet. Voor Truijens is die basis heel belangrijk. "Het begint met talenten spotten, in beeld hebben wat talent is. Als eerste aanzet hebben we aan het begin van het project testen gedaan via zoveel mogelijke routes. Daarbij is het multidisciplinair kijken ter harte genomen. We keken naar tal van zaken, zoals de fysieke en technische kwaliteiten, de trainingsachtergrond en de ontwikkelingsleeftijd. Bij jongens en meisjes van 16-18 jaar zijn er fysiek nog best grote verschillen. Die eerste indrukken geven een inschatting van het potentieel, van hoe wij denken dat jij je gaat ontwikkelen. Uiteindelijk zullen we uiteraard ook kijken of we het bij het rechte eind hadden in het begin."

Dat is een zorgvuldig proces. "We gaan niet over één nacht ijs. We kijken ook naar kwaliteiten als prestatiegedrag en discipline. We willen alle facetten in beeld krijgen. Nog steeds kunnen we het fout hebben, want we kunnen niet honderd procent garanderen dat iemand prof gaat worden. Dat hangt van vele factoren af. We handelen kortom vanuit de kennis die we nu hebben. Het is aan de ene kant bepaald geen nattevingerwerk, maar we hebben ook geen glazen bol. De talenten die we herkennen, brengen we samen. We willen de grootste wielerbeloften de kansen bieden om de impact op hun ontwikkeling zo groot mogelijk te maken. Maar vergis je niet: er moet ook een balans zijn tussen fysiek en emotie. Plezier is een belangrijke factor. Dat mag nooit verloren gaan, want dat is de reden dat je ooit bent gaan fietsen."

Aantal testen
Truijens vervolgt: "Waar bijvoorbeeld zwemmen en schaatsen vrij technische sporten zijn, waar het cruciaal is de techniek goed te beheersen om snelheid te maken, is in de wielersport koersinzicht zeker ook een belangrijke, minder gemakkelijk meetbare factor. We proberen uit koersgedrag talent te herkennen. We doen daarvoor met de renners die onderdeel willen uitmaken van CCNL een aantal testen. Zo rijden we een afvalrace, waarbij het niet zeker is in welke ronde je af zult vallen. Loont het dan om weg te rijden of wacht je op het moment dat de bel klinkt? Ook rijden we een soort puntenkoers waarbij voor de eersten steeds punten te verdienen zijn boven op een heuvel. En we laten de kandidaten een tijdrit rijden om inzicht te krijgen of ze goed kunnen indelen. Met hard trappen alleen kom je er niet. Maar aan de andere kant heb je wel een bepaald vermogen nodig als renner. Kun je bepaalde wattages niet wegtrappen, dan zul je ook de top niet bereiken. Hoeveel inzicht en andere kwaliteiten je ook hebt. In de eerste fase van de tests kijken we naar techniek, kracht, coördinatievermogen en maken we een inschatting van je koersinzicht. Op dat moment beschikken we over een poule van driehonderd mensen. In fase twee gaan we dieper in op de persoon. Er wordt een profiel gemaakt van je sterke en zwakke punten. Er is veel kennis bij NOC*NSF op dit terrein van scouting aanwezig. Er zijn een veertiental factoren bij het prestatiegedrag waarvan men weet dat het handig is om over te beschikken. Aan het einde hebben we zo een zo compleet mogelijk beeld kunnen krijgen van de renners die zich aangemeld hebben. Maar zoals altijd in de wetenschap is er geen honderd procent garantie dat we bij iedereen de juiste inschatting gemaakt hebben."

En dan begint de opleiding pas echt. "De renners die we gaan begeleiden kunnen we vervolgens ook verder brengen door ons personeel goed in te zetten. Met een voedingsdeskundige kijken we naar wat je wanneer eet en ook beschikken we over een krachttrainer. Ik durf wel te zeggen dat we niet veel talenten gemist hebben in dat eerste jaar. Er zijn misschien vier of vijf sterk presterende jongens die niet met ons meedoen. Die hadden we wel op de radar, maar zij maakten een andere keuze. Voor mij is dat de bevestiging dat onze methode hout snijdt. We hebben natuurlijk ook een goede basis gelegd voordat we begonnen. We hebben kennisgenomen van andere projecten in het buitenland, zoals van het Australian Institute of Sports, British Cycling en de Vlaamse Wielerfederatie. Verder kunnen we beschikken over de kennis en expertise van de grondleggers van CCNL. Ook zijn we met de Rijksuniversiteit Groningen bezig ons te laten onderzoeken en volgen, waarbij de vraag aan de orde komt welke factoren dominant blijken bij het maken van de juiste keuze in talentherkenning. Al met al ligt er een gedegen basis onder het scouten van talent. Je moet ook op dat terrein wel een bepaald niveau hebben om de top te bereiken. Verder proberen we zoveel mogelijk dezelfde elementen te handhaven in de talentherkenning. Zodat we een goede database kunnen opbouwen waar we ook weer kennis uit kunnen halen die we kunnen toepassen bij het zoeken naar nieuw talent."

Samen verder komen

Het ontwikkelen van talent gebeurt binnen het bestaande speelveld in de wielerwereld. Het is een uitgangspunt van het project om niet centraal maar decentraal te werken. De renners blijven lid van hun eigen club. "Natuurlijk was er ook een bepaalde weerstand bij enkele bestaande teams en verenigingen tegen ons project, hoewel de talenten dus wel lid blijven van hun club. Maar de jongeren zelf zijn enthousiast. De eerste keer hadden we 155 aanmeldingen voor de testdagen, nu zijn dat er 351. Dat is een groot percentage van de beschikbare groep jongeren die bij de KNWU een licentie heeft in die leeftijdsklasse. Ik denk dat we naar de sporters zelf en naar de clubs onze filosofie goed hebben kunnen uitdragen. Bij ons ligt de nadruk op het ontwikkelingstraject van de sporter. Dat wil niet zeggen dat er niet gepresteerd mag of moet worden op belangrijke momenten in het jaar. Maar we willen waken voor roofbouw bij talenten, die soms van eind februari tot begin oktober presteren. Wedstrijden zijn belangrijk, maar wel in combinatie met training en rust. Het zou jammer zijn als de ontwikkeling stagneert, juist in een cruciale leeftijd om die ontwikkeling door te maken. Het is prettig dat we met de technische staf van de KNWU op één lijn zitten waar het gaat om de visie op talentontwikkeling. Samen dragen we dat uit richting sporters en verenigingen. En met al die mensen samen hopen we daar de vruchten van te plukken."